Ik neem jullie even terug mee in de tijd in aansluiting op mijn laatste bericht. Net zoals eekhoorns πΏοΈ die een eikelvoorraad voorzien of bevers 𦫠die de laatste verstevigingen aan hun dam aanbrengen, was ik toen mijn zaadje naarstig aan het voorbereiden op de aankomende winter. Voor van oever naar stroom omvatte dit het kunnen dragen van de angst die verscholen gaat in een periode van vertragende schaarste, koude stilte en serene rust. De composterende bladeren π van de herfst infuseren hiervoor een beweging — van angst naar vertrouwen — in onze bodem. Een voedzame kracht waar deze prille levensvorm om vroeg om de winter te overbruggen.
De eerst vorst π₯Ά kondigde de winter aan en samen met de fauna en flora gaat mijn ontkiemend plantje in winterrust. De bovenbeschreven beweging werd veelvuldig gemaakt en in elke nieuwe cel van het zaadje werden dankbaar de woorden van Pommelien Thijs gebrand: ‘Ik weet wat ik wil, maar nog niet hoe het moet. Wie weet wie we morgen zijn?’
Het groeide onder de grond verder,
in afzondering,
in vertraging,
in verstilling.
Het connecteerde diep met haar wortels.
Een diep luisteren om te horen tot wat de plant te groeien heeft.
De aarde bracht voeding en antwoorden.
Ze hoorde het ritme van de natuur, cyclisch leven en verbinding met de 4 elementen:
waterπ§– aarde π±– vuurπ₯– lucht π¦
(en het brein volgde met de avatar theme song π).
Het bibberende zaadje fluisterde haar toe:
‘Ik ben. Althans heden zonder stem.
Verstopt in de donkere diepgaande kronkels van de aarde.
Warm en veilig. Met een visie.
Verbinding van natuur en gezondheid in- & uitademend.
Op zoek naar een kanaal richting de buitenwereld.
Ik ben. Zoals elke vogel uniek,
welk lied zal ik zingen?’
Met deze boodschap ontspringt de lente, bruisend en heerlijk ruikendπΈ. In deze periode maakt oud plaats voor nieuw. Maar dat, lieve vrienden, dat is dan weer een verhaal voor (lees: binnenkort π) een volgende keer.
